Misschien is de koppigheidsperiode wel de meest kenmerkende periode van het kind totdat
het zeven jaar is. De peuter heeft een aantal ontwikkelingstaken onder de knie. Het is nog
niet perfect, maar het plezier om jezelf eindelijk te kunnen bewegen en jezelf een beetje
duidelijk te kunnen maken, is overweldigend. Met verve stort de peuter zich in de koppigheid-
sfase waarin hij of zij zich strijdlustig tegenover de ander opstelt. De peuter kan nog nauwe-
lijks praten maar bedient zich te pas en te onpas van het woord NEE! De magie van dat woord
dat aan alles en iedereen een grens stelt, is bedwelmend.
Kan zalf wal!
Er gaat al heel veel in die koppies om voordat peuters je duidelijk kunnen maken wat ze denken en voelen. Een peuter is niet meer afhankelijk van huilen, nu maken ze zelfs met hun ogen duidelijk wat ze willen. Ze weten ondertussen al aardig goed hoe ze volwassenen zo ver moeten krijgen dat er gebeurt wat ze willen. Ze zetten al hun middelen in om hun zin te krijgen: huilen, schoppen, lief lachen, leuk brabbelen en natuurlijk NEE! Eindelijk kunnen ze hun eigen wil – die ze natuurlijk al langer hadden – duidelijk maken en ze houden zich daar dan ook aan.
Voor ouders is deze periode de eerste echte confrontatie in de opvoeding. Het kind stelt grenzen en probeert ze uit. Je kunt dat merken wanneer de peuters zichzelf nog meer in de weg zitten dan hun omgeving. Het kind daagt je uit, probeert zijn of haar macht aan de jouwe te meten. Er worden grenzen aan de macht van de verzorger gesteld, maar tegelijk moet de ouder alle zeilen bijzetten om grenzen aan het kind te stellen.
Peuterpuberteit
De koppigheidsperiode is opvoedkundig erg belangrijk. Het wordt wel eens de peuterpuberteit genoemd, omdat de eerste signalen van zelfstandigheid en het loskomen van ouders zichtbaar worden. Nu gaat het erom het kind op te voeden, dat wil zeggen: je begeleidt het kind naar een sociaal leven en niet alleen via zijn of haar eigen wensen. De opvoeding tijdens de koppigheidsfase werpt vruchten af in de toekomst. Tijdens de koppigheidsfase speelt impulsiviteit een rol. Impulsiviteit is de onbedwingbare drang gehoor te geven aan een behoefte die opkomt, zonder rekening te houden met je omgeving. Het is heel belangrijk dat kinderen deze drang leren beheersen. Als ouders hun kinderen leren omgaan met impulsiviteit, geven ze hen een zeer waardevolle bouwsteen voor hun verdere leven. Impulsiviteit beheersen is nodig in het sociale leven omdat je rekening moet houden met anderen en het is uiteraard nog belangrijker in een relatie. Maar impulsiviteit leren beheersen, is wel wat anders dan impulsiviteit de kop indrukken. Met harde hand en straf kun je impulsief gedrag korte tijd onderdrukken, maar het kind leert er niet mee omgaan en het impulsieve gedrag neemt er zelfs door toe. Bij onderdrukken blijft het kind afhankelijk van anderen en kan het interne geweten zich niet goed ontwikkelen.
De snoepjestest
Omgaan met impulsiviteit betekent dat het kind leert zijn of haar behoeften uit te stellen. Hoe belangrijk dat is, zie je in de eenvoudige snoepjestest. Die test houdt niets anders in dan dat je kinderen van vier jaar de keuze geeft of ze één snoepje nu willen of twéé snoepjes straks. Kinderen die kiezen voor twee snoepjes straks blijken op alle gebieden, van school en werk tot sociale omgang, een betere toekomst te hebben dan kinderen die kiezen voor één snoepje nu. Uitstellen van de bevrediging van je behoefte, want dat betekent het kiezen voor straks, is een kostbare vaardigheid die een kind nog vaak in zijn leven zal nodig hebben.
Kijk voor de rest van het artikel in KIDDO 1 vanaf pagina 8.
Dr. Martine F. Delfos is psycholoog, therapeut, wetenschapper en schrijfster.
Kijk voor meer informatie op

www.mdelfos.nl.

kindengezin.be

www.opvoedadvies.nl
TOP
Naar bed, naar bed, zei Duimelot

Jonge kinderen slapen veel. Voor veel ouders is uitgerekend het slapen
een bron van zorgen, vooral vanwege wiegendood. Is het verstandig
om een pasgeborene vast te leggen in de wieg om te voorkomen dat hij
op zijn buik draait? Is het veilig om samen met mijn baby in bed te slapen?
Is het veilig een baby onder een dekbedje te laten slapen als het koud is?
Deze en andere vragen houden veel ouders bezig.

Binnen het thema Veilig Slapen op deze site geven wij u informatie en
tips over een veilige slaapplek voor uw kind. U leest wat de basis-
adviezen voor veilig slapen zijn, wat wiegendood inhoudt, welke
eigenschappen veilige bedjes en beddengoed hebben. Daarnaast
vindt u er meer informatie over samen slapen en vastleggen van
kinderen in bed,  en wat te doen bijslaapproblemen....


VEILIG SLAPEN...


1. Leg de baby altijd op de rug te slapen.

Het veiligst slaapt een baby op de rug. Uit zijligging rolt een baby al na een paar weken gemakkelijk op de buik. Leg een baby nooit op de buik te slapen. Niet één keer. Ook niet om te troosten. Soms is er een reden om van dit advies af te wijken. Doe dat alleen in overleg met uw arts.

Het is wel goed om het kindje regelmatig op de buik te leggen als het wakker is en er iemand op let. Dat is zelfs nodig voor een goede ontwikkeling. Als een oudere en gezonde baby zich eenmaal vlot om en om kan draaien, en bij het slapen zelf kiest voor buikligging is het niet zinvol daar tegenin te blijven gaan. Let er dan wel extra op dat het bedje veilig is.

Er is geen reden om bang te zijn voor het afplatten of scheefgroeien van baby's hoofdje. Het verschijnsel is vaak tijdelijk en medisch gezien onschuldig; bovendien is het meestal te voorkomen. Van belang is om het ontwikkelen van een voorkeurshouding te voorkomen. Bij borstvoeding ligt de baby afwisselend naar links of rechts gedraaid. Wissel daarom ook bij flesvoeding van arm. Leg de baby in rugligging vanaf het begin met het hoofdje afwisselend naar links en naar rechts. Draai desnoods het bedje, zodat het licht van de andere kant invalt; of hang afwisselend links en rechts een aandachttrekkend voorwerp op. Ga tijdig naar de dokter als de baby met het hoofdje toch maar één kant op wil.

2. Voorkom dat de baby te warm ligt.

Een goede temperatuur is erg belangrijk, wanneer het gaat om veilig
slapen. Vooral omdat het bekend is dat een te hoge slaaptemperatuur
voor een grotere kans op wiegendood zorgt. Let altijd op het weer,
de kamertemperatuur, warme zon, de kachel in de auto, etc.
Dekbedjes zijn vaak te warm en daardoor riskant voor kinderen tot
twee jaar. Bovendien liggen ze los. waardoor een baby er gemakkelijk
onder kan geraken. Het laatste geldt ook voor een dekentje in een dekbedhoes. Een opgevouwen deken in een hoes kan gauw te warm zijn. Deken en lakentje, rondom ingestopt, of een trappelzak zijn veel veiliger.
Dek een baby die koorts heeft minder toe dan u gewoonlijk doet. Laat een baby nooit met bedekt hoofd slapen.
Ook te koud slapen is niet goed voor je kind. Om het juiste slaapklimaat te creëren, moet je het beddengoed afstemmen op de temperatuur van je baby en op die van de kamer.
Na de eerste weken is een kamertemperatuur van 16-18 °C voldoende. In de warme zomermaanden is deze temperatuur vaak niet haalbaar en zal hij wat hoger liggen. Dit is helemaal niet erg. Houd er echter wel rekening mee bij het aankleden en het toedekken van je kind.  Een zwetende baby is foute boel!

De temperatuur van je baby kun je het beste controleren in zijn nek of op zijn buik. De kamertemperatuur bepaal je met een thermometer.

3. Zorg voor veiligheid in wieg of bed.
Een babybedje moet in Nederland aan bepaalde veiligheidseisen voldoen, onder meer voor wat betreft ventilatie (nooit een gesloten bak!) en afstand tussen de spijlen. Gebruik in wieg of bedje geen zacht materiaal. Geen zachte matras, geen kussens, geen hoofdbeschermer, geen dekbedje, geen plastic zeiltje - ze kunnen de ademhaling belemmeren. Maak bij gebruik van een dekentje het bed zo op dat de baby met de voetjes tegen het voeteneind ligt. Een passende trappelzak is beter. Voor een baby in een gewatteerde trappelzak is een deken overbodig. Bij een ongewatteerde is vaak een dunne deken nodig, maar maak ook dan laag op en stop rondom goed in. Combineer nooit met een dekbed. 


Zorg dat het ledikantje op de laatste stand is gesteld wanneer een kind  eenmaal zelf kan gaan zitten. Dit betekent minstens 50 cm tussen         matras en bedrand.
Leg je kindje eventueel al in een laag bed met bedhekje. Zo kan hij niet  spontaan uit bed rollen. 
Leg je kind niet vast in bed. Je kind kan zich vastdraaien. Gebruik een slaapzak. Dit maakt het moeilijker voor een kind om zich op de buik te   draaien.
Probeert je kind uit het ledikant te klimmen? Haal dan de spijlen eruit of schaf een laag kinderbed aan. En zorg voor een zachte ondergrond, voor het geval je kind uit bed valt.


4. Blijf bij de baby in de buurt.
Laat de baby als het even kan zeker het eerste halfjaar bij u op de kamer slapen. Houd dat ten minste vol tot de baby zich vlot om en om kan draaien. Laat hem ook overdag in uw nabijheid slapen op een rustige plek, maar gebruik liever niet de box als slaapplaats. Uw natuurlijke waakzaamheid verlaagt het risico.

Neem je kindje niet mee in het grote bed. Ook in het grote bed van zijn ouder(s) kan de ademhaling van je baby belemmerd worden.
Als je een baby bij je in bed neemt, is het mogelijk dat je door vermoeidheid toch in slaap valt, ook al is het niet de bedoeling. Op een onbewust moment kun je per ongeluk de deken over je heen trekken en kan je baby in ademnood komen. Mede om deze reden raadt de Sichting Consument en Veiligheid het af om je baby in het grote bed te laten slapen.

5. Houd uw baby rookvrij.
Roken, tijdens de zwangerschap en erna, is slecht voor moeder en kind. Het wiegendoodrisico loopt op, maar ook levenslange gezondheidsschade kan het gevolg zijn. Een huis waar niet wordt gerookt is het beste voor de baby.
Wie echt niet kan stoppen, kan het risico wel iets beperken door zo min mogelijk te roken. Houd in ieder geval de babykamer rookvrij, maar vermijd ook in andere omstandigheden passief roken door de baby. Denk bij voorbeeld aan de auto. In een vertrek kan rook wel acht uur blijven hangen.
Lucht (ook wanneer u nooit rookt) regelmatig de kamer waar de baby slaapt.

6. Geef bij voorkeur borstvoeding, houd een fopspeen achter de hand.
Er zijn aanwijzingen dat een fopspeen risico verlagend is. Maar borstvoeding is dat ook. Gebruik bij borstvoeding alleen een fopspeen als het voeden probleemloos verloopt. Wacht er anders enige tijd mee. Bij flesvoeding kan wel meteen worden begonnen. Zorg altijd voor schone spenen en gebruik ze met mate, bij voorbeeld alleen voor het inslapen en als er serieus getroost moet worden. Doe dat dan wel consequent. Bouw na een half jaar af tot alleen voor het inslapen. Stop met het gebruik als de baby een jaar is.

7. Gebruik geen geneesmiddelen met slaapverwekkende bijwerking.
Sommige geneesmiddelen zijn gevaarlijk voor baby's. Ze kunnen een baby te diep laten slapen. Moeders die borstvoeding geven, moeten deze medicijnen ook vermijden. Lees altijd de bijsluiter. Raadpleeg bij twijfel de dokter. Wees altijd terughoudend met medicijngebruik bij baby's en peuters.

8. Let op rust en regelmaat.
Baby's zijn gevoelig voor verstoring van rust. Reizen, drukke visites, logeerpartijen en allerlei andere ongewone gebeurtenissen brengen een zuigeling gemakkelijk van slag. Een verstoorde slaap kan het gevolg zijn. Dit geldt in bijzondere mate voor zogenaamde huilbaby's. Beperk onrustige situaties in het eerste levensjaar. Vertel dat ook anderen die de zorg al dan niet tijdelijk overnemen.

Hoe laat ik mijn baby goed inslapen?
Respecteer zoveel mogelijk het slaap- en voedingspatroon van je kind.   
Leg je kindje wakker in bed en laat het alleen inslapen.
Zorg na een drukke dag voor een kalme overgang naar de nacht.
Leg je baby op een rustige en goed geventileerde plaats.
Let er altijd op dat het gezichtje van je kind niet bedekt is: een baby in een groter bed wordt
-om te beletten dat hij wegglijdt onder het deken- toegedekt op de onderste helft van het bed.
Hij ligt dus met zijn voetjes dichter naar het voeteinde toe. 
Verwijder kettingen, fopspeentouwtjes, pluchen dieren en kussens uit het bedje.

Hoe laat ik mijn peuter goed inslapen?
Kies een vast bedmoment. Zorg na een drukke dag voor een kalme overgang naar de nacht.
Waarschuw je kindje vooraf dat het tijd is om te gaan slapen. 
Volg altijd hetzelfde patroon. Bv. tanden poetsen, verhaaltje, knuffel, welterusten zeggen...

Aarzel nooit om medisch advies te vragen.
Doe dat in elk geval als u denkt dat er iets niet goed gaat met de baby,
of wanneer u twijfelt of met vragen zit.
Voor meer informatie kunt u altijd terecht bij uw arts en bij het consultatiebureau.

Bron: © Stichting Onderzoek en Preventie Zuigelingensterfte, bij afkorting Stichting Wiegedood
en Sichting Consument en Veiligheid



Slaapproblemen bij kinderen
 
De slaap van een pasgeboren kind lijkt helemaal niet op die van volwassenen. Hij kent totaal andere patronen en ondergaat tijdens het eerste levensjaar aanzienlijke veranderingen. Het is dan ook onzinnig om slaapproblemen bij kinderen op te lossen vanuit onze eigen slaapervaringen als volwassene. De meeste slaapproblemen lossen zich bovendien spontaan op met de jaren. Men moet zich dus niet al te snel ongerust maken.

Het slaappatroon van kinderen kent tijdens de eerste levensjaren belangrijke wijzigingen. En net zoals bij volwassenen zijn er ook bij kinderen langslapers, kortslapers, kinderen die snel een duidelijk dag-nachtritme ontwikkelen, kinderen bij wie dit lang uitblijft, enz.

Een kind van 1 tot 3 maanden slaapt zo'n 19 tot 20 uur per dag.
De slaap is nog licht en wordt gemakkelijk verstoord, bv. door lawaai of eigen behoeften, zoals honger. De slaap bestaat uit vele korte slaapcyclussen, waarbij de baby vanuit de lichte actieve slaap even wat dieper wegzakt en vervolgens weer naar de lichte slaap weerkeert. Geleidelijk aan evolueert het kind naar een slaappatroon met meer diepere slaapfasen.
De onregelmatige slaapcyclus van de baby verschilt dus totaal van het volwassen slaappatroon dat een duidelijke structuur heeft en meerdere fasen van diepe slaap vertoont. Het is dan ook onzinnig om het kind in deze fase 'enkele nachten te laten doorhuilen' om te proberen het zo in een volwassen slaappatroon te dwingen.

Het dag- en nachtritme, waarbij het kind 's nachts 5 tot 6 uur doorslaapt, ontwikkelt zich slechts geleidelijk. Rond 3 maanden hebben zo'n 7 op 10 baby's dit slaappatroon verworven. Rond 6 maanden heeft meer dan 8 op 10 baby's reeds een duidelijk dag-nachtritme verworven.
Rond de leeftijd van 1 jaar heeft 1 op 10 kinderen echter nog steeds geen regelmatig dag-nachtritme.
Zeer frequente en vooral onregelmatige wisselingen van omgeving of verzorgers kunnen verhinderen dat het kind vaste ritmes ontwikkelt. Hierdoor kan het langer een onregelmatig slaappatroon blijven vertonen. Hetzelfde kan ook gebeuren als de omgeving waarin het kind slaapt lawaaierig is en lang verlicht blijft.
Ongeveer de helft van de kinderen wordt in deze periode nog 's nachts wakker, maar is tevreden met zichzelf en is in staat om zelf, zonder de hulp van de ouders opnieuw in te slapen. Het is echter wel belangrijk dat het rustig en donker is in de slaapkamer zodat het kind niet geprikkeld wordt en daardoor wakker blijft.


Het kind wordt steeds mobieler. Het leert kruipen en lopen zodat zijn wereld in korte tijd enorm vergroot. Veel kinderen zijn in deze fase erg ondernemend en zeer levenslustig. Het is een periode van enorme ontdekkingen. Gaan slapen betekent echter stoppen met alle activiteiten en dat vinden ze vaak maar niets.
Bovendien ontdekt het kind in deze periode ook zijn eigen zelfstandigheid (en het woordje 'nee').
Het kind kan zeer egocentrisch en eisend worden. Het wil bv.  's avonds niet naar bed omdat het groot
wil zijn en net hetzelfde wil doen als de ouders, enz.
De behoefte om overdag te slapen neemt af, maar dit kan sterk uiteenlopen.
Sommige kinderen willen zich niet overgeven aan het controleverlies tijdens de slaap (waaraan ze zich schijnbaar passief moeten overleveren). Ze kunnen ook bang zijn om de nieuw ontdekte wereld te verliezen. Vooral op het moment van inslapen zelf, het moment waarop het kind dus de controle verliest, kunnen sommige kleuters zeer paniekerig reageren.

Soms kan het niet willen slapen te maken hebben met angsten, b.v. om in bed te plassen o.i.d

Rituelen kunnen de overgang naar het slapen vergemakkelijken en mogelijke angsten helpen verminderen. Het vaste patroon van het slaapritueel, pyama aan, tanden poetsen, voorlezen, wat vertellen, een zachte knuffel,  helpt het kind tot rust te komen.
Sommige kinderen blijven het echter moeilijk vinden om in te slapen. Vaak zijn het kinderen die zeer intensief bezig zijn en zo geboeid blijven door alles wat ze overdag meemaken dat ze er moeilijk afstand van kunnen nemen. De leefwereld van het kind breidt zich immers gestaag uit.



Mogelijke problemen:     
 
Scheidingsangst
Hardnekkige slaapproblemen kunnen ontstaan bij kinderen die niet leren alleen te zijn. Vaak zijn het overbeschermde kinderen met een moeder die steeds bij hen in de buurt blijft. Scheidingsangsten beletten dat deze kinderen gemakkelijk in slaap vallen.
Er zijn ook kinderen die meerdere malen na elkaar goedenacht blijven roepen. Dit kan eveneens als een ritueel beschouwd worden. Het is een bevestiging dat de ouders 'niet echt weg zijn'.
Knuffels, zoals een beertje, een favoriet dekentje, enz., kunnen nuttig zijn om scheidingsangsten te overwinnen. Het zijn aangename en veilige dingen waaraan kinderen vaak een vervangende functie toekennen.

Doorslaapproblemen
Iedereen wordt 's nachts wel eens wakker dus het is niet meer dan normaal dat dit ook bij kinderen gebeurt. Sommige kinderen kunnen echter een tijdje met doorslaapproblemen worstelen. Het alleen zijn 's nachts in een donkere kamer jaagt hen soms angst aan, maar angst is niet de enige reden waarom kinderen 's nachts om hun ouders roepen. Honger, pijn, zich alleen voelen, zich vervelen, enz. kunnen ook redenen zijn.
U doet er niet goed aan 's nachts aan uw kind te vragen of het bang is. Dit kan het nl. op het idee brengen dat er inderdaad iets is om bang voor te zijn en het kind angstig maken. Vraag daarom gewoon wat er is. Op dat antwoord kunt u dan verdergaan.
Blijf even bij het kind, laat het een slokje water drinken en praat er wat tegen op een rustige, kalmerende toon.
zorg dat het kind zo snel mogelijk terug in slaap kan vallen, maak het niet te gezellig.  Blijf stil, gedraag u rustig, maak geen lawaai en laat het licht uit. Dit laatste versterkt het idee dat een donkere omgeving 's nachts normaal is en dat men ook in het donker perfect met elkaar kan praten.
Los het probleem liefst in de kamer van het kind op.
Soms tracht een kind de ouder bij zich te houden door te zeggen dat er monsters, wolven, enz. in zijn kamer zitten. Wat u dan niet moet doen, is achter de kasten en onder het bed gaan kijken en besluiten dat ze er niet zijn. Daarmee bevestigt u nl. dat zoiets wel mogelijk kan zijn.

Het best kunt u rustig, maar beslist, zeggen dat ze er niet zijn,  neem het kind wel serieus en zeg dat het maar weer moet gaan slapen en liefst aan aangename dingen moet denken.


Het verschil tussen kinderdromen & volwassenendromen
Kinderen dromen anders dan volwassenen, terwijl volwassenen over het algemeen bewegende beelden dromen, zoals bij een film, zien kinderen vooral als ze nog heel jong zijn meestal stilstaande beelden. zoals bij een foto. Ook komen kinderen vaak voor hun vijfde jaar zelf niet voor in hun dromen. Dit komt doordat kinderen het moeilijk vinden zichzelf  voor te stellen in een situatie waarin ze zich nog nooit bevonden hebben. Kinderen dromen over het algemeen ook vaker en langer dan volwassenen.

Uit: Interview met Anneguus van der Slikke uit Margriet 1999 nr. 35 :  "Het is opvallend dat bij kleuters de scheiding tussen dromen en werkelijkheid heel klein is. Daardoor onthouden ze dromen beter, maar ze laten zich er ook makkelijker door overspoelen. Het lijkt immers zo echt. Bij kinderen komen ook nachtmerries nog wel eens voor. Het beste wat je als ouder dan kunt doen, is je kind geruststellen, mee naar boven gaan en denkbeeldig die enge man of heks uit de kamer jagen. Een angstige droom is een uiting van de angst van een kind. Zeg niet tegen een kind dat het niet echt is, want dan neem je de angst van het kind niet serieus. Vertel wel dat het een droom is, zodat een kind droom en werkelijkheid leert onderscheiden."

Nachtmerries (LINK)
Vanaf 2 jaar beginnen nachtmerries op te duiken. Deze angstdromen kunnen op hun beurt het inslapen bemoeilijken omdat het kind op deze leeftijd het onderscheid nog niet kan maken tussen dromen en werkelijkheid. Het idee dat gaan slapen betekent dat ze zich willoos overgeven aan het onbekende, is voor hen te beangstigend.

Naarmate het kind ouder wordt, neemt de realiteitszin toe. Vermoedelijk hebben deze kinderen nog wel nachtmerries, maar doen ze steeds minder een beroep op hun ouders als ze wakker worden en leren ze steeds beter hun plan te trekken. Dit wordt onder meer geïllustreerd door het feit dat kleine kleuters vaak huilen of roepen bij een nachtmerrie. Oudere kleuters van 5-6 jaar gaan vaak zelf naar hun ouders toe als ze wakker worden bij een nachtmerrie.
Rond de leeftijd van 6 jaar is er een piek in het aantal nachtmerries. Vermoedelijk heeft dit te maken met wat het kind overdag heeft meegemaakt en met eventuele angsten of conflicten die nog blijven doorspelen tijdens de slaap.

Het heeft echter weinig zin om naar de diepere achtergronden van nachtmerries te zoeken. Ze zijn een normaal verschijnsel en verdwijnen vanzelf. Dat men zich een nachtmerrie herinnert, is ook niet echt belangrijk. De herinnering is nl. grotendeels afhankelijk van het feit of men al dan niet wakker geworden is. Aan dromen of nachtmerries die tijdens een diepe slaapfase beleefd worden, houdt men nl. zelden herinneringen over, wat niet wil zeggen dat ze er niet zijn.

Wat doen bij problemen?
Stuur je kind niet overdag voor straf naar bed. Een bed moet een veilige plezierige plek zijn.

Het is belangrijk om geen oorzaken of problemen te zoeken die er niet zijn en de toestand niet ernstiger te maken dan hij is.

Maak geen drama als het kind 's nachts wakker wordt, maar kalmeer het. Vertel dat u zelf ook wel eens wakker wordt, leg uit wat u dan doet, enz. Knuffel het kind een beetje,  zeg wat het kan en mag doen als het toch nog wakker zou blijven (bv. een boekje lezen in bed, een slokje water gaan drinken), enz.

Eén van de vragen die ouders zich stellen als hun kind schijnbaar slaapproblemen heeft, is of het kind wel voldoende slaapt. Als regel geldt dat kinderen veel slaap nodig hebben, maar sommige kinderen kunnen het met weinig slaap stellen. Indien een kind weinig lijkt te slapen, maar overdag nooit moe lijkt en het fris en monter blijft, is er geen reden om zich ongerust te maken.

Een tweede goede methode is de controle bij het ontwaken 's morgens. Als een kind 's morgens spontaan of toch gemakkelijk wakker wordt, heeft het voldoende geslapen en is het uitgerust.

Als er slaapproblemen zijn, doet u er goed aan om de slaapkamer te reserveren voor het slapen alleen. Dus niet om er te spelen. Een slaapkamer waarin het kind alleen komt om er te slapen, zet het kind automatisch aan tot slapen. Houd de slaapkamer sober en verwijder alle stimulerende prikkels zodat het kind niet uitgenodigd wordt tot spelen.

Bron: www.gezondheid.be

Hoeveel slaap heb je nodig?

Niet iedereen heeft evenveel slaap nodig. Bovendien verschilt de behoefte per levensfase.
Hieronder volgt een overzicht van het aantal uren dat men gemiddeld slaapt.

Baby's : 16  uur:
2-4 jaar: 13  uur:
6-8 jaar: 11  uur:
8-12 jaar:      10  uur:
13-24 jaar:      9  uur:
25-45 jaar:     7,5 uur:
45 > jaar :        6  uur:





andere interessante links:

Babyinfo.nl
Stichting  Wiegendood: www.wiegendood.nl
Stichting Consument en Veiligheid
het Consultatie Bureau online
Slaap en kleine kinderen
Kinderdromen
Opvoedingswinkel
Kennisring_gezondheidshulp      wanneer heeft een kind een slaapprobleem?
Forum Ouders online
Ikkeben      (ik wil nog niet naar bed!)
Jonge gezinnen
Wat je droomt ben je zelf
Veiligslapen.info

Voor suggesties over de onderwerpen kunt u ons mailen:
Snoozel@casema.nl

Hoe stimuleer ik de taalontwikkeling van mijn kind?
Je kind luistert in de baarmoeder al naar je stem. In dit vroege stadium begint hij al met het herkennen en onthouden van klanken. Naarmate je kindje ouder wordt, neemt zijn interesse voor geluiden alleen maar toe. Je kunt zelf veel doen om deze interesse om te vormen naar kennis van taal en communicatie.

Praten
De eerste stap bestaat natuurlijk uit het praten tegen je baby. Hoe meer je tegen hem praat, hoe vertrouwder hij raakt met woorden en zinnen en hoe eerder hij hier betekenis in gaat ontdekken. Ook als je kindje nog heel klein is, heeft dit al effect. Vaak vinden baby's het ook gewoon prettig om naar je stem te luisteren. Die kennen ze immers nog uit de tijd van voor hun geboorte. Ze ervaren jouw woorden dan ook als troostend en geruststellend.

Als je niet weet wat je tegen je kindje moet zeggen, kun je beginnen met het benoemen van de dingen in zijn omgeving en van de handelingen die jullie samen verrichten. "Nu zijn we in jouw kamer. Dat is je bed. Daarin ga jij zo lekker slapen. Maar eerst krijg je een schone luier van papa." Het maakt niet uit dat je kindje aanvankelijk niets begrijpt van wat je zegt.


Voorlezen
Voorlezen is ook een goede manier om de taalontwikkeling van je kind te stimuleren. Wat oudere kindjes vinden het vaak erg leuk om naar een verhaaltje te luisteren, vooral als mama voor elk personage een ander stemmetje gebruikt. Ook de plaatjes bij het verhaaltje zijn interessant. Laat je kind actief meedoen aan het verhaaltje, door hem vragen te stellen over de plaatjes en de gebeurtenissen in het verhaal.


Praten is leuk
Naarmate de tijd verstrijkt en de taalspelletjes een vast onderdeel van jullie dagelijkse rituelen zijn geworden, zul je langzamerhand gaan merken dat de spreekvaardigheid van je kind verbetert. Je kind kent niet alleen steeds meer verschillende woordjes, maar gebruikt ze ook actief om aan te geven wat hij wil. Misschien probeert hij mee te doen met de liedjes en de versjes en vult hij zo nu en dan je zinnen aan, in zijn eigen brabbeltaaltje.

In dit stadium is het belangrijk dat je probeert om je kind niet te veel onder druk te zetten. Ga bijvoorbeeld nooit zover dat je je kind dwingt om taal te gebruiken. Als hij, ook na een aantal vragen van jou, nog steeds kreetjes en gebaren in plaats van woorden gebruikt om aan te geven wat hij wil, moet je niet door blijven vragen. Je kind raakt dan alleen maar gefrustreerd.

Zorg ervoor dat praten iets leuks blijft. Prijs je kindje dan ook, als hij laat blijken dat hij begrijpt wat je bedoelt en bewonder elke poging die hij doet om zelf iets te zeggen. Dit stimuleert hem meer om te leren praten, dan wanneer je hem het gevoel geeft dat hij móet praten. Wees geduldig en onthoud dat ieder kind in zijn eigen tempo en op zijn eigen manier leert praten.
Uitspraak
De eerste woordjes en zinnetjes van je kind zullen waarschijnlijk niet helemaal klinken zoals het hoort. De meeste kinderen hebben vooral moeite met de uitspraak van de medeklinkers. Ook vinden ze woorden vaak nog te lang en laten ze de laatste, of juist de eerste lettergrepen en klanken van woorden weg. Aanvankelijk is dit babytaaltje erg schattig. Later zul je je kindje steeds meer de juiste uitspraak van de woorden willen leren.

Ook dan is het belangrijk dat je niet te streng voor je kind bent. Je kunt zijn uitspraak het best zo subtiel mogelijk verbeteren, bijvoorbeeld door op een juiste manier te herhalen wat hij zei. Dat is beter dan op een botte manier kritiek te leveren. Wijst je kindje met een enthousiast "Ajo!" naar de radio, zeg dan "Goed zo! Dat is de radio", in plaats van "Nee, het is geen "ajo", maar een radio. Zeg eens radio."

De regel dat je enthousiast en geduldig moet blijven, geldt eigenlijk voor elke fase van de taalontwikkeling van je kind. Je stimuleert hem dan ook het best wanneer je spreken en verstaan presenteert als een leuke en handige vaardigheid, die je kind zich met veel plezier eigen kan maken. Breng het als een spelletje, maak het leuk met liedjes en rijmpjes en je kind zal vrolijk met je meedoen.

Volg daarbij het ritme van je kind. Hij geeft zelf wel aan wanneer hij even genoeg heeft van al die kleuren en getallen en zich liever even aan zijn knuffels wijdt. Vergeet ondertussen ook zelf niet te genieten van de eerste woordjes van je kind en van al zijn grappige uitspraken in babytaal. Schrijf ze op, dan zie je hoe snel je kind leert praten. Bovendien creëer je zo een uniek document voor later, als de babytijd voorbij is.

Voorleestips

Een boek kiezen
In de boekwinkel en in de bibliotheek zijn zoveel boeken te vinden, dat het niet altijd meevalt om nou juist dat ene boek eruit te halen dat op een bepaald moment past bij de belevingswereld van uw kind. Het kan zijn dat er in het gezin een baby komt, of uw kind wordt zindelijk of leert zelfstandig naar de wc te gaan. Veel bibliotheken hebben de boeken per thema bij elkaar staan en ook in de boekwinkel kan men u boeken tonen over speciale onderwerpen. Let ook eens op als u op het consultatiebureau bent, want ook daar vindt u vaak tips voor geschikte boeken over allerlei thema's.

Hetzelfde boek een paar keer voorlezen
Het is een feit dat jonge kinderen een verhaal eindeloos vaak willen horen en het telkens opnieuw weer prachtig vinden. U hebt zelf misschien allang genoeg van het boek, maar u weet dat herhaling erbij hoort. Als u zoveel mogelijk uit een prentenboek wilt halen, leest u het juist een paar keer voor. Hetzelfde boek een paar keer voorlezen hoeft echt niet saai te zijn als u telkens kiest voor een ander onderwerp om na het voorlezen over te praten: het thema, de hoofdpersoon of hebben de kinderen zelf zoiets wel eens meegemaakt?
Voorleesrituelen
Kinderen raken vertrouwd met allerlei rituelen: zo doen wij dat altijd! Ze voelen zich prettig als ze kunnen rekenen op het dagelijkse voorleesritueel: voorlezen op een vertrouwd moment, op een knusse plek met een kussen of knuffel erbij en met zo weinig mogelijk kans op storingen. Voorleestijd is de tijd waarin u samen kunt kijken, luisteren, praten en lachen.
Voorlezen met stemmetjes
In prentenboeken staan vaak veel korte spreekteksten. Het is helemaal niet nodig om u extra in te spannen om met verschillende stemmetjes voor te lezen. Bij peuters is dat nog niet zo aan de orde. Als u langzaam voorleest, goed articuleert en uw kind tijdens het voorlezen regelmatig aankijkt, dan treft u vaak veel beter de toon en zal uw kind goed begrijpen wie er in het boek iets zegt.
Te moeilijk of niet?
Het kan prettig zijn om van andere ouders of leidsters, of in de bibliotheek of boekwinkel, titels van prentenboeken te horen die geschikt zijn voor de leeftijd van uw kind. Dan nog kan het zijn dat u aarzelt of het boek niet te moeilijk of te gemakkelijk is. Misschien helpt het om te weten dat een boek eigenlijk net een beetje te moeilijk mag zijn. Als u het meerdere keren voorleest en u praat samen over het verhaal, hebt u de meeste kans dat uw kind door een boek geboeid wordt. Bron o.a.:
Stichting lezen 
Lezen en voorlezen: Nieuwe kinderboeken
Leesplein    /       www.opvoedadvies.nl
Omgaan met druk gedrag.
Taal-
ontwikkeling
Drukke kinderen
10 Oudertips voor het omgaan met druk gedrag door Justine Pardoen
Uit met kinderen
Zoekt u leuke ideeen voor
een dagje uit met de kids?
Klik dan op een van onderstaande links...
Rotterdam
weet wat er speelt
Kinderpretpagina
Het reispaleis
Professor Plons
Oei, ik groei! - of waarom baby's hun ouders de gordijnen injagen


"Sommige dagen zie ik het helemaal niet meer zitten en vraag ik me af of ik het wel goed doe, vooral als hij weer zo lastig is. Dan twijfel ik of ik hem moet laten huilen of juist eruit halen en knuffelen."

Alle ouders met een baby herkennen zich in deze uitspraak. Bijna alle baby's maken van tijd tot tijd een moeilijke periode door. Oei, ik groei! helpt je met je baby door die moeilijke perioden heen te komen en spannende, nieuwe ontwikkelingen mee te maken.

Het grensverleggend onderzoek van Van de Rijt en Plooij heeft aangetoond dat de groei van baby's niet geleidelijk verloopt maar met sprongen, en niet alleen lichamelijk maar ook mentaal. Zij hebben tien sprongen ontdekt in de eerste twintig maanden. En baby's nemen die sprongen op praktisch dezelfde leeftijden. Op die leeftijden wordt je wolk van een baby plotseling huilerig en hangerig. Maar dat is een voorbode van de nieuwe belevingswereld, die je baby op het punt staat binnen te gaan.

Sprong

Een sprong is een plotselinge verandering in de mentale ontwikkeling van een baby. Het kondigt een vooruitgang aan. Ze komen bij alle gezonde kinderen op ongeveer dezelfde leeftijd voor. Bij de een heviger dan bij de ander.
Ze gaan gepaard met hersenveranderingen die een nieuw waarnemingsvermogen met zich meebrengen. Een sprong kent twee fasen.

1. De lastige periode van de drie H's: hierin is een kind huileriger, hangeriger en humeuriger dan je van hem gewend bent. Zijn vooruitgang kan stil staan of zelfs een achteruitgang worden. Ouders kunnen zich zorgen gaan maken of zich gaan ergeren.

2. Een periode van nieuwe dingen ontdekken of oude dingen anders doen: het kind heeft hele nieuwe interesses en is zelfstandiger.



"Natuurlijk komt jouw peuter nog maar net kijken. Zijn wereldje is nog heel klein en dicht bij huis. Het duurt nog tot vele jaren na de kindertijd voordat hij iets heeft ontwikkeld dat wij volwassenen een wereldbeeld noemen of een levensvisie. Maar het prille begin is er. Hoe pril dit begin ook is, het is wel belangrijk en heeft verstrekkende gevolgen. Hier wordt onder andere een begin gemaakt met de gewetensvorming en het aanleren van waarden en normen. Als dat vanaf hier niet goed gaat, is het een paar jaar later al goed te merken. Als je het al je aandacht geeft, is dat een goede diepte-investering en bespaar je je kind, jezelf en iedereen om je kind heen een hoop ellende."

-Bron: Oei, ik groei!-

Klik hier voor een link naar de samenvatting

Koppige peutertjes
Oei!
Ik groei!!
Sign InView Entries
Hebt u zelf een leuke tip voor ons of voor de andere ouders, laat ons dit weten in dit gastenboek!
De opvoeddesk biedt ouders ondersteuning bij de ontwikkeling en het gedrag van en de omgang met hun kinderen
Je wilt je dreumes ongetwijfeld opvoeden tot een evenwichtige persoonlijkheid met een helder besef van normen en waarden. Vaak is alleen niet meteen duidelijk hoe je dat op een verantwoorde en constructieve manier aanpakt. Hier ben je aan het goede adres voor tips en adviezen.
Klik op onderstaande afbeeldingen voor de link naar de websites...
U kunt op bovenstaande teksten klikken voor de link naar de websites.
Tussendoortjes
Natuurlijk is het lekker voor je kind om ’s morgens en ’s middags tussendoor iets te eten en te drinken.
Geef je kind maximaal vier keer per dag iets tussendoor.
Vaker is niet goed voor z’n gewicht en z’n tanden.
Goede tussendoortjes zijn bijvoorbeeld fruit, een volkorenbiscuitje, soepstengel of rijstwafel, een doosje rozijnen, stukjes komkommer of wortel.
Wil je ook wat te snoepen geven, kies hiervoor dan een vast moment op de dag.
Je kind leert zo dat doorzeuren op andere momenten geen zin heeft.
Hartige tussendoortjes, zoals kaas, worst of chips bevatten veel calorieën en verkeerd vet. Geef ze niet te vaak.
Eet je kind een tijdje slecht, compenseer dit dan niet met extra tussendoortjes of extra (kinder)toetjes.
Zo bouw je geen goed eetpatroon op. Als je kind goed groeit en actief is, zit het wel goed. Maak je je toch zorgen,
overleg dan met het consultatiebureau.
Korstjes zijn goed om te leren kauwen. Snij ze dus niet weg.

Ideeën voor traktaties:

kinderkoekje, mandarijn, bananenbootje, klein zakje popcorn, ketting van zoutjes, kindertoetje, doosje rozijnen, versierd bakje gevuld met stukjes fruit van het
seizoen, mini-krentenbol of eierkoek met een vlaggetje, versierd bekertje met wat zoute stokjes. Kleine kinderen zijn ook blij met een speeltje, zoals een potje bellenblaas of een kleurplaat met een lintje erom en een vierkleuren-potlood.
Niet doen vlak voor het eten Als je kind vlak voor het eten nog wat drinkt, heeft hij aan tafel minder trek.
Melk en melkdrank en kant-en-klare zuivelhapjes geven al snel een vol gevoel. Je kunt hem beter alleen bij de
broodmaaltijden een beker (halfvolle) melk geven en na de warme maaltijd een schaaltje (magere) yoghurt of vla.
Meer melk is niet nodig. Ook te veel tussendoortjes remmen de eetlust.
Kijk ook eens op www.vanharte.nl
Bewegen met peuters
Peuters bewegen het liefst met hun hele
lichaam. Eenvoudige manieren om te
bewegen zijn wandelen, rennen, dansen,
springen, klimmen, stoeien, kruipen,
fietsen en zwemmen. Leuke liedjes
om op te bewegen zijn bijvoorbeeld
jan-huigen-in-de-ton, hoofd-schoudersknie-
en-teen, zo-gaat-de-molen en er-zateen-
klein-zigeunermeisje. Wil je weten
hoe deze en andere spelletjes gaan, kijk
dan op www.beweegkriebels.nisb.nl.
Gewoon lekker buiten spelen is natuurlijk
altijd goed. Is je kind uit zichzelf wat
minder actief, daag hem dan uit door
zelf mee te spelen. Kinderen die vaak
buiten spelen, ook bij wat slechter weer,
zijn ook minder vaak ziek.
Wil je actief bewegen met je peuter in
groepsverband, informeer dan bij de
plaatselijke gymnastiekvereniging naar
ouder- en kindgymnastiek. Hou je van
zwemmen, vraag dan bij het zwembad
naar de mogelijkheden voor baby- en peuterzwemmen.
Beide activiteiten zijn heel
geschikt om samen te doen met je kind.
Kinderen vinden het vaak leuk om mee boodschappen te doen en om zelf iets uit te kiezen. Laat je kind één ding kiezen, bijvoorbeeld de soort jam, óf de
snoepjes óf de koekjes. Dan hou je zelf
de regie over je boodschappenlijstje.
Dat betekent waarschijnlijk dat je vaak
‘nee’ moet zeggen, als hij iets anders
wil dan jij. Maar zo leer je je kind wel
om niet zo maar eten te kopen.
Kinderen van nu groeien op in een
omgeving met eten in overvloed.
Door je eigen houding kun je helpen
voorkomen dat voortdurend eten kopen en eten een automatisme wordt.
Daar heeft je kind nu en later plezier van.
Wen je kind niet aan eten of snoepen als
troost of als beloning voor goed gedrag.
Zo’n gewoonte sluipt er makkelijk in,
maar is moeilijk af te leren. Ga liever
iets met hem doen, bijvoorbeeld
stoeien, dansen, knuffelen, verstoppertje
spelen of ga samen naar buiten.


Lekker bewegen als basis
Als je kind druk in touw is geweest, heeft hij vanzelf een gezonde trek als
jullie aan tafel gaan.
Een goed gewicht is een kwestie van evenwichtig eten en voldoende bewegen. Je kunt als ouder je kind goede eet- en beweeggewoontes aanleren. Begin ermee zodra hij baby-af is. Dan heb je de meeste kans op succes. Gewoontes die een kind jong leert, leert hij niet zo makkelijk af.
Eten en bewegen met peuters
voorkom overgewicht
Een uitgave van het Voedingscentrum in samenwerking
met het Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen.

Minder snoepen, minder tussendoortjes en
meer bewegen helpen al om gewichtsproblemen
voor te zijn. Zet je kind nooit zomaar op ‘dieet’.

Waarom is een gezond gewicht belangrijk?
Een gezonde leefstijl is belangrijk voor iedereen. Toch worden
steeds meer mensen in Nederland te dik, ook jongeren en
kinderen.  Het aantal te dikke peuters is de laatste twintig jaar
zelfs verdubbeld. Overgewicht op jeugdige leeftijd vergroot de
kans op overgewicht op  volwassen leeftijd en dat geeft veel
gezondheidsproblemen. Daarom is het belangrijk om te
investeren in een gezonde toekomst van je kind. Ook al doen
de problemen zich pas op latereleeftijd voor. Iedereen wil toch
gezond oud worden?








Rekensom: is je kind goed op gewicht
Je kunt zelf uitrekenen of je kind een goed gewicht heeft aan de hand van de ‘Body Mass-index’ (BMI).
Neem hiervoor als uitgangspunt de getallen voor gewicht en lengte in het Groeiboekje van het consultatiebureau.
Stel, je kind weegt 15 kilo en is 98 cm lang.  Reken als volgt:
• deel het gewicht in kilo’s door de lengte in meter, dus 15 gedeeld door 0,98 = 15,3;
• deel daarna deze uitkomst nog een keer door de lengte, dus 15,3 gedeeld door 0,98 = 15,6.
Dit is de BMI waarde.
De cijfers in de tabel geven aan wat een goed gewicht is voor peuters van 3 en 4 jaar.
Meer gegevens hierover kun je vinden op de site van het Voedingscentrum, www.voedingscentrum.nl.

Leeftijd Normaal gewicht voor jongens Normaal gewicht voor meisjes
3 jaar   BMI tussen 13,5 en 17,9   BMI tussen 13,6 en 17,5
4 jaar   BMI tussen 13,2 en 17,6   BMI tussen 13,3 en 17,2

Leer je kind een gezond eetpatroon aan. Dat betekent vooral: gevarieerd eten met voldoende groente en fruit. Laat hem z’n buikje vullen op de drie normale maaltijdmomenten, met verstandige en lekkere producten, zoals brood, groente, fruit en halfvolle zuivel. Maak het eten lekker klaar, dan gaat het ook makkelijker naar binnen.

Hoeveel voeding heeft je kind nodig?
Met 3 hoofdmaaltijden en maximaal 4 tussendoortjes per dag bouw je een gezond eetpatroon op. Eet je kind vaker op een dag, dan krijgt hij misschien meer dan hij nodig heeft. Maar wat is voldoende, wat is te veel?
Een pasklaar antwoord zou makkelijk zijn, maar is er niet: het verschilt per kind en bij peuters ook per dag.
Een peuter kan op sommige dagen minder trek hebben dan op andere. Bijvoorbeeld omdat hij minder actief is geweest.
Gelukkig is het mooie bij peuters dat ze zelf heel goed aanvoelen wanneer ze genoeg gegeten hebben. Misschien denk je dat hij zijn eigen wil uitprobeert, maar ‘genoeg is genoeg’ bij een peuter.Dwing je hem te eten of blijf je hem tussendoor eten aanbieden, dan verstoor je zijn natuurlijke gevoel voor honger en verzadiging, met het risico dat hij te dik wordt.
Het overzicht met aanbevolen hoeveelheden voedingsmiddelen is dan ook alleen bedoeld als richtlijn.
Pin je niet op de hoeveelheden vast. Overal waar voor je peuter ‘hij’ staat, kun je ook ‘zij’ lezen.

Goede voeding als basis




Drie maaltijden per dag
Ontbijten is nodig om de dag goed te kunnen
starten. Je kind heeft daarnaast nog een
             broodmaaltijd nodig en een warme maaltijd met
voldoende groente. Laat je kind wennen aan
een grote variatie aan groente en geef ook
voldoende fruit. Goed voor later.



Het goede vet
Laat het vet op de boterham en bij
het koken niet weg, want ook vet bevat
belangrijke vitamines.
Vermijd olieën en vetten met meer dan
30 procent linolzuur, zoals zonnebloemolie,
maisolie en de meeste dieetmargarines.
Gebruik olijfolie, kokosolie  of koolzaadolie
als keukenvet [in landen als Duitsland,
Frankrijk, Zweden en Finland zijn nauwelijks
nog linolzuurrijke margarines te koop]
dus smeer gerust met mate echte boter.


Broodbeleg
• 1-3 sneetjes brood (liefst volkoren of
bruin), dun besmeerd met bij voorkeur
roomboter  (5 gram per snee)
• 1-2 aardappelen of 1-2 opscheplepels
rijst, macaroni of spaghetti
• 1-2 opscheplepels groente (100 gram)
• 1-2 porties fruit
• 2-3 bekertjes melk(producten)
(3dl, liefst halfvol )
• 1/2 plak kaas
• 1/2 plak vleeswaren
• 50 gram gaar vlees
(of vleesvervanging)
• 15 gram  olijfolie, kokosolie  of
koolzaadolie voor de warme
maaltijd (1 eetlepel)
• 1/2 tot 1 liter drinkvocht (inclusief de
3 dl melk)


Gemiddeld aanbevolen per dag voor een kind van 1 tot 4 jaar:
In dit overzicht staan geen tussendoortjes. Kijk hiervoor bij het stukje over tussendoortjes.

Broodbeleg
Je kunt met broodbeleg volop variëren:
appelstroop, jam, honing, banaan,
aardbei, vruchtenhagel, gestampte
muisjes, kaas, smeerkaas, vleeswaren.
Kies van de laatste drie de minder vette
soorten. Geef pindakaas, chocoladepasta
en chocoladehagelslag niet elke
dag, want hierin zitten veel calorieën.
Je kunt ook lekkere combinaties maken
van plakjes ei met tomaat, kwark met
jam, groentespread met een plakje
worst, smeerleverworst met plakjes
appel, pindakaas met komkommer.

De warme maaltijd
Zorg voor voldoende, gezonde
producten die ‘vullen’, zoals groenten,
aardappelen, (volkoren)pasta, rijst en
bonen. Kies vooral de magere soorten
vlees. Als je gevarieerd kookt en het
eten lekker klaarmaakt, zal je kind
vanzelf aan verschillende smaken gaan
wennen. Gebruik bij voorkeur geen
saus met veel vet, zoals vette jus of
mayonaise.
Een bittere smaak van groente wordt
wat zachter met een beetje ketchup of
geschaafde appel. Ketchup kun je ook
warm gebruiken, bijvoorbeeld door de
jus, lekker voor de afwisseling.
Wat je als ouder kunt (voor)doen
Jij bepaalt wat er op het menu staat en
wanneer je kind eet. Creëer dus vaste
eet-, drink- en snoepmomenten.
Ga voor de hoofdmaaltijden aan tafel
zitten, maak het gezellig en laat je kind
aan tafel mee-eten. Want zien eten,
doet eten. Wees duidelijk en consequent
op andere momenten, ook al geeft je
peuter duidelijk te kennen dat hij het er
niet mee eens is. Als je een speeltje pakt
of even samen naar buiten kijkt, is
de boosheid snel weer over. Op deze
leeftijd werkt afleiden het beste.
Wen je kind niet aan eten of snoepen als
troost of als beloning voor goed gedrag.
Zo’n gewoonte sluipt er makkelijk in,
maar is moeilijk af te leren. Ga liever
iets met hem doen, bijvoorbeeld
stoeien, dansen, knuffelen, verstoppertje
spelen of ga samen naar buiten.








Leer je kind een gezond beweegpatroon
aan. Kinderen die weinig bewegen,
hebben meer kans om dik te worden.
Geef je kind daarom elke dag de kans
om flink te bewegen. Het liefst meerdere
keren per dag, vooral buiten. Hoe meer
beweging, hoe beter. Bovendien is
bewegen goed voor de motoriek en
bevordert spelen de ontwikkeling van
taal en sociale vaardigheden.
Peuters voelen zelf heel goed aan wanneer
ze moeten uitrusten. Laat je kind
dus lekker z’n gang gaan tot hij zelf rust
zoekt. Rem hem niet af in z’n bewegingen,
want tot ongeveer 4 jaar doen kinderen
uit zichzelf eigenlijk nooit dingen
die ze nog niet aankunnen. En kinderen
die veel bewegen, reageren sneller en
hebben minder ongelukjes. Dus blijf wel
in de buurt, maar wees niet te bang als
hij zelf van de glijbaan wil, op dat ene
muurtje wil klimmen of op het klimrek.

Zelf lopen
Je peuter kan zelf lopen. Laat hem dat
dus ook veel doen. Als het even kan, doe
de boodschappen dan lopend. Vervoer
hem niet automatisch in de buggy en
laat hem zelf de trap op lopen. Je hoeft
hem alleen maar te begeleiden. Voorkom
lang stil zitten, zoals bij televisie
kijken en computeren. Een uur televisie
kijken per dag is eigenlijk al te veel.
Maak hierover duidelijke afspraken met
je kind.






Uitgebreide informatie
over bewegen, zoals leuke
boeken, uitdagende
activiteiten en tips kun
je vinden op:
www.beweegkriebels.nisb.nl.
Kijk ook op:
Leer je kind bewegen!



Meer informatie
Voor vragen over gezond eten: bel het Voedingscentrum, (070) 30 68 888. Of kijk op internet, www.voedingscentrum.nl.
Hier kun je ook deze folder downloaden. Er is ook een brochure verkrijgbaar ‘Goed eten voor baby en peuter’. Maak
hiervoor € 4,40 over op gironummer 43 23 700, t.n.v. het Voedingscentrum in Den Haag, onder vermelding van
bestelnummer 105.
Bron: www.Voedingscentrum.nl

Als je uitkomt op een getal boven de waarden in de tabel, vraag dan advies aan het consultatiebureau, je huisarts of een diëtist.
Het berekenen van de BMI waarde is een van de manieren om te bepalen of je kind goed op gewicht is. Twijfel je of wil je meer informatie, neem dan contact op met het consultatiebureau.
Drinken
Drinken is belangrijk. Maar veel (vruchten)limonadesiroop, frisdrank, vruchtensap en yoghurtdrank op een dag vergroten de kans op overgewicht en op tandbederf. Wissel limonade en sap af met kinder- of (vruchten)thee,
water of niet te sterke bouillon.
Geef je kind drinken op vaste tijden, tegelijk met een tussendoortje.
Laat hem z’n beker meteen leegdrinken, dat is beter voor z’n tanden. Heeft hij daarna nog dorst, geef dan (mineraal) water.  Water bevat geen calorieën en is makkelijk en goedkoop.
Dranken zonder suiker
Als je wilt, kun je light frisdrank, siroop, yoghurtdrank of chocolademelk geven. Deze dranken zijn vaak gezoet met
cyclamaat. Jonge kinderen krijgen hiervan al gauw te veel. Geef daarom niet meer dan 1 à 2 glazen per dag.
Eten en bewegen met peuters
Basisvoeding: Gemiddeld aanbevolen hoeveelheden voedingsmiddelen per dag
voor 1 tot 4 jaar

Brood     1-3 sneetjes (35-105 gram)

Aardappelen (of rijst, pasta, peulvruchten)    75 gram / 1,5 aardappel of opscheplepel                                                                                 rijst/pasta /peulvruchten

Groente          75 gram (1-2 groentelepels)

Fruit   1,5 vrucht  (150 gram)

Zuivel 300 ml melk(producten) en 10 gram kaas                                                                                                                                    (½ plak)

Vlees(waren), vis, kip, ei of vleesvervangers 50 gram

Boter, bak- en braadproducten   15 gram

Dranken     0,8 liter


© Voedingscentrum - eerlijk over eten*)

De kleinste hoeveelheden gelden voor de jongste kinderen. Voor de oudere kinderen in deze groep geldt 450-600 ml.


TOP
TOP
Test jouw opvoedregels!
Klik hier en kijk onder aan de pagina...
heeft uw kind een gezond gewicht? Klik hier
Wat ouders tot wanhoop drijft:
De Koppigheidsperiode...
Eetproblemen.

Tijdens de koppigheidsfase ontdekt
het kind dat hetmet zijn gedrag
invloed kan uitoefenen op zijn
omgeving. Zo ook met betrekking tot
de eetsituatie.
Het kind merkt dat zijn ouders eten
heel belangrijk vinden en dat het hier
zelf invloed op heeft, bijvoorbeeld dat
het veel (negatieve) aandacht krijgt
wanneerhet weigert te eten. Het kind
gaat uitproberen hoever het hierin kan
gaan; het verkent zijn grenzen.

Eetproblemen zijn vaak van tijdelijke
aard. Zolang uw kind voldoende groeit
en genoeg energie heeft, hoeft u zich geen zorgen te maken. Dit neemt natuurlijk niet weg dat het eetprobleem op den duur tot grote frustraties kan leiden, zowel bij
ouders als bij het kind zelf.

Enkele richtlijnen
Hieronder volgen enkele richtlijnen hoe u met eetproblemen om kunt gaan:
Eten

• Een kind heeft in ieder geval drie hoofdmaaltijden nodig.

• Geef uw kind een hoeveelheid eten waarvan u zeker weet dat het dit op kan. Dit is voor uw kind beter te overzien en werkt daardoor bemoedigend. Uw kind kan altijd meer te eten krijgen wanneer het dit wil.

• Geef uw kind niet teveel tussendoortjes in de vorm van snoep en vullende dranken, zoals chocomel en yoghurtdrank. Zeker wanneer dit vlak voor een maaltijd gegeven wordt, heeft het kind daarna vaak geen honger meer. Geef liever water, fruit of rozijnen.

• U mag het kind gerust wel vaker iets voorschotelen wat het lekker vindt, zoals een
favoriete groente. Het kind zal dan meer plezier ervaren aan het eetmoment.

• Een toetje vormt een onderdeel van de maaltijd (bevat vaak melkproducten). Het mag gewoon gegeven worden, ook al heeft het kind de hoofdmaaltijd niet goed gegeten.

• Als een kind een hoofdmaaltijd niet goed eet, geef het dan niets ter vervanging, bijvoorbeeld een koekje of boterham. Het kind wordt dan immers beloond voor het niet-eten.

Tijd en structuur

• Het is belangrijk dat uw kind vaste eetmomenten en vaste eettijden heeft en dat u zich hier zoveel mogelijk aan houdt. Dit zorgt voor regelmaat en rust.

• Een vaste plek om te eten zorgt voor duidelijkheid. Het verdient de voorkeur om het kind aan tafel te laten eten, indien nodig in de kinderstoel.

• Zorg ervoor dat uw kind niet te moe is wanneer het gaat eten. Oververmoeide kinderen hebben vaak geen energie meer om nog te eten. Zonodig kunt u de maaltijd naar een vroeger tijdstip verplaatsen.

• Stel een redelijke tijdslimiet voor de maaltijd vast. Twintig tot dertig minuten is lang genoeg voor een peuter/kleuter. Hierna wordt toch nauwelijks nog iets gegeten. Gebruik eventueel de kookwekker.

• Na het verstrijken van de tijd pakt u het bordje weg. Uw kind mag dan van tafel. Wanneer uw kind voor zijn doen goed gegeten heeft, krijgt het een compliment. Wanneer uw kind niet goed gegeten heeft, geeft u verder geen commentaar. Door dit neutrale reageren, kunt u een strijd met uw kind voorkomen en zal het opstandige gedrag
sneller verdwijnen. Probeer positief te zijn

• Het is voor een kind gezellig om samen te eten, zo maakt u er een sociale activiteit van.

• Probeer de maaltijden zo plezierig mogelijk te laten verlopen. Ga niet mopperen of dreigen wanneer uw kind niet goed eet, maar probeer het te betrekken in het gesprek. Door boos te worden legt u teveel nadruk op het niet eten, waardoor uw kind zich waarschijnlijk nog meer zal verzetten.

• Probeer van het niet eten geen strijd te maken, hoe moeilijk het ook is. Hoe meer aandacht het niet-eten krijgt, hoe langer het probleem zal blijven bestaan. Belangrijk is om als ouders/verzorgers hierbij op één lijn te staan.
Babies Tot 1 jaar.

Bijvoeding

De eerste zes maanden heeft een kind dat goed groeit, genoeg aan borstvoeding of volledige zuigelingenvoeding (flesvoeding). Vanaf de leeftijd van zes maanden is daarnaast bijvoeding nodig. Het kind kan geleidelijk aan verschillende voedingsmiddelen eten, te beginnen met kleine porties fijngemaakt voedsel. Langzamerhand worden steeds meer melkvoedingen vervangen. Tegen de tijd dat het kind ongeveer één jaar is, kan het gewoon ‘met de pot mee-eten’.



Een kind heeft tot de leeftijd van zes maanden in principe geen bijvoeding nodig om voldoende voedingsstoffen binnen te krijgen. Sommige kinderen zijn echter al eerder aan bijvoeding toe. Dat blijkt bijvoorbeeld als het veel smakkende geluidjes maakt of alles in de mond wil stoppen. In dat geval is het mogelijk vanaf vier maanden voorzichtig te beginnen met wat bijvoeding. Wel is het mogelijk dat het kind door de bijvoeding minder aan de borst drinkt, waardoor de melkproductie te vroeg kan teruglopen en het kind niet optimaal van de borstvoeding kan profiteren.

Geleidelijk

De overgang naar vast voedsel gaat stap voor stap en verloopt bij elk kind anders. Het beste is om er rustig de tijd voor te nemen en het kind steeds nieuwe dingen te laten proberen. In het begin moet het eten heel fijn worden gemaakt. Een goede start is een kleine hoeveelheid (theelepels) fruit of groente tussen de melkvoedingen door. Langzaam kan de hoeveelheid worden opgevoerd. Door met andere voedingsmiddelen te experimenteren, leert het kind allerlei smaken kennen. Het één voor één introduceren van voedingsmiddelen maakt het mogelijk de oorzaak van eventuele overgevoeligheidsreacties te achterhalen. De bijvoeding hoeft steeds minder fijn van structuur te zijn: dit stimuleert de kauwontwikkeling. Na verloop van tijd kunnen steeds meer melkvoedingen vervangen worden.

Geen gluten en honing, wel vitamine D

De eerste zes maanden kunnen kinderen beter nog geen brood, koekjes, pap op basis van tarwe of pasta eten. Deze voedingsmiddelen bevatten gluten. Door pas na zes maanden met voedingsmiddelen met gluten te beginnen, wordt voorkomen dat eventuele overgevoeligheidsreacties op gluten al op heel jonge leeftijd optreden. Geef het kind vóór zijn eerste verjaardag ook geen honing. Honing is een natuurproduct dat besmet kan zijn met een bepaalde bacterie waarvan heel jonge kinderen ziek kunnen worden.

Kinderen die geen volledige zuigelingenvoeding en/of opvolgmelk krijgen, hebben extra vitamine D nodig in de vorm van een vitaminepreparaat. De extra benodigde hoeveelheid vitamine D is vijf microgram per dag. Als kinderen nog gedeeltelijk zuigelingenvoeding of opvolgmelk krijgen, is tweeënhalve microgram vitamine D voldoende.






kinderevenementen
Slapen
en dromen
Baby in de zon
Baby in de zon
Als de zon lekker schijnt wil je natuurlijk het liefst naar buiten met je baby.
Lekker in de buitenlucht, genieten van het mooie weer. Maar je moet wel voorzichtig
zijn met je baby in de zon.

Tips bij warm weer voor baby's
Zet je baby op een koele plaats, maar zorg ervoor dat je baby niet op de tocht staat. Ook op zonloze dagen kan de temperatuur behoorlijk oplopen. Is er binnen geen koele plaats, zet je kind dan buiten, in de schaduw.
Het is voor je kind prettig om luchtige kleding te dragen, niet meer dan één laag, bijvoorbeeld een hemdje met een luier. Gebruik bij voorkeur kleertjes van katoen omdat kunststoffen het transpiratievocht onvoldoende opnemen.
's Nachts is een hemdje, pyjamajasje, luier en een ruime (zomer)trappelzak voldoende. Dek je kind luchtig toe met een katoenen lakentje.
Een moltonhoes om de matras bevordert dat voldoende transpiratievocht wordt opgenomen.

Bij warm weer heeft je kind meer behoefte aan vocht. Geef extra water te drinken en houd in de gaten dat je baby regelmatig blijft plassen.
Een extra keertje baden is fijn voor je kind.
Als je gaat wandelen doe de kap van de wagen omlaag anders wordt het erg warm in de wagen. Je kunt je baby beschermen met een parasol of door in de schaduw te blijven.
Vooral baby's moeten goed tegen de zon beschermd worden. Bescherm het huidje zoveel mogelijk tegen de zon, met luchtige kleding en op het hoofdje een zonnehoedje of petje. Bedek een spelend kinderlijfje tijdig met een t-shirtje.
Als het heel erg warm is, kan het prettig zijn om eerst een handdoek in het autostoeltje te leggen.

Zorg voor goede zonwering. Er zijn zonneschermpjes
in allerlei soorten en maten te koop. Je kan natuurlijk ook,
net als vroeger een stuk doek tussen het raampje klemmen
en zo de zon weren.
Het is goed om de ogen te beschermen tegen de inwerking
van UVA en UVB-stralen. Deze stralen zijn ook schadelijk
voor kinderogen. Neem een paar kinder-zonnebrilletjes
mee. Zorg wel dat de glazen daadwerkelijk de schadelijke
straling uitfilteren. De goedkope kinder-zonnebrilletjes
doen dit namelijk niet.

Houd je baby in de schaduw
Houd een baby voortdurend in de schaduw en pas op voor
oververhitting. Neem een thermometer mee en controleer
bij twijfel de temperatuur van je kind. Als een koortsige
baby zich slap gedraagt, of gaat overgeven, ga dan naar
een dokter. Vergeet niet dat de UV stralen ook in de
schaduw doordringen. Smeer je baby dus altijd in met sunblock en vergeet vooral de oortjes en de nek niet.

Vermijd de middagzon
Sommige Nederlandse kinderartsen vinden dat kinderen zo weinig mogelijk aan directe zon blootgesteld moeten worden, omdat vroege blootstelling een verhoogde kans op huidkanker oplevert. Bijna alle Zuideuropese artsen adviseren om kinderen niet bloot te stellen aan direct zonlicht wanneer de zon op zijn hoogste stand staat.
Ga niet in de zon rond het middaguur. Vermijd direct zonlicht tussen 12.00 en 17.00 uur. De UV straling is dan het krachtigst. Doe als andere Zuideuropese volkeren: ga 's ochtends tussen tien en twaalf uur naar het strand en pas na vijf uur 's middags tot een uur of zeven of acht.

Smeer je kind volledig in
Zorg in ieder geval voor voldoende bescherming in de vorm van een crème met beschermingsfactor totaal tegen zonnebrand (in elk geval nooit minder dan factor 15).
Breng een anti-zonnebrandmiddel 20-30 minuten voordat je kind in de zon gaat aan. Deze tijd is nodig om het product werkzaam te laten worden. Smeer je kind regelmatig opnieuw in.
Vergeet bij het insmeren ook het hoofd, de oren en de nek niet en gebruik aanvullende middelen om jullie tegen de zon te beschermen (zonnehoed, parasol, uit de zon blijven).
Heb je kinderen die halverwege weglopen bij het insmeren, dan kan je een crème met een kleurtje gebruiken, zodat je precies weet waar je nog verder moet smeren. De kleur trekt bij het intrekken van de crème natuurlijk wel weg.
UV stralen dringen door in de schaduw. Smeer je kind dus ook in als hij in de schaduw ligt. UV straling dringt ook door in water. Zorg dat in de zomervakantie het anti-zonnebrandmiddel waterproof is.


















Zonnesteek
Niet alleen de brandende werking van de zon levert gevaar op, ook de warmte moet je niet onderschatten. Probeer daarom op het heetst van de dag de zon helemaal te mijden en zorg ervoor dat zeker de kinderen het niet te warm krijgen.
Hoe herken ik een zonnesteek?
Een zonnesteek ontstaat wanneer het lichaam z'n warmte niet meer kan kwijtraken. Dit kan ontstaan in een erg warme omgeving in combinatie met uitdroging en eventueel veel lichamelijke arbeid.
De symptomen kunnen zijn: hoofdpijn, duizeligheid, slappe spieren, koorts, geen zweet op het lichaam, maar wel in de nek en op het hoofd en soms verwardheid. Bij het vermoeden van een zonnesteek moet je onmiddellijk een arts raadplegen!
Bron:  http://www.toly.info/nd/plaatse/zon.htm

Tenslotte:

Zon brandt door dunne kleding
  Gepubliceerd op donderdag 03 mei 2007
  Mensen die denken goed beschermd te zijn tegen schadelijke zonnestralen door het dragen van een T-shirtje komen bedrogen uit. Alleen stevige en donkere kleding beschermt de huid tegen uv A- en uv B-licht. De beste bescherming biedt onder meer denim en dikke wol.
Luchtige kleding van katoen of linnen, die bovendien licht van kleur is, biedt meestal slechts matige bescherming, te vergelijken met een zonnecrème factor 10. Dat schrijven onderzoekers in het medisch tijdschrift The Lancet
TOP
TOP
TOP
TOP
TOP
TOP
TOP
TOP
TOP
TOP
TOP


Als je kind toch is verbrand
Als je baby of kind toch verbrandt kan je het volgende doen:

Behandel de huid met in een koud water gedrenkt compres of doek gedurdende 15 minuten.
Droog de huid en leg er dan een gaas overheen dat speciaal voor verbrandingen is bestemd. Deze gaasjes zijn doordrenkt met een balsem (vaak op basis van carbomeergel en eventueel lidocaïne) en kalmeren de jeuk en pijn. Laat je adviseren door je apotheker
Dek deze gaasjes af met steriel verband.
Gebruik nooit azijn, crèmes of andere huismiddeltjes om de pijn te verzachten, want dat werkt bijna altijd averechts. Ook het doorprikken van blaren verhoogt de kans op infectie.
Als je baby verbrandt is houdt hem dat helemaal uit de zon, zelfs niet onder een parasol.

De ontdekhoek
wanneer u ergens op onze website links tegenkomt die niet meer werken, zouden wij het zeer op prijs stellen als u een berichtje achterlaat in ons gastenboek of via onze email:   snoozel@casema.nl
Kinderen en overgewicht
zindelijk worden
Baby's op het potje

Op het potje  Prentenboek dat begint met een tekening van Lotje, een klein meisje met een lijfje waar alles aanzit; armen, benen, enz. Dan komen er tekeningen waarop staat dat Lotje eerst een baby was, die in een luier plaste en poepte. Oma geeft Lotje een potje cadeau. De vraag wordt gesteld waar het potje voor is. Is het een hoedje, of een melkbakje voor de poes, of voor bloemen, of voor vogels, of voor een plasje en een hoopje, zoals het in het boekje genoemd wordt.

Beschrijving: Midden in het oerwoud staat een potje. Er ligt een briefje bij waarop staat: Op dit potje  passen alleen de allerliefste billetjes. Alle dieren proberen het potje uit, want ze zijn er  allemaal van overtuigd dat hun billen de liefste zijn, totdat er opeens na de lunch een paar kleine billetjes zonder haren, vlekken of strepen op het potje zitten... 
Potje! is nog steeds een van de grappigste en succesvolste boeken over zindelijkheidstraining en beleeft nu zijn tiende druk! Speciaal voor deze gelegenheid zit er bij elk boekje een grote sticker om op je eigen potje te plakken.



Beschrijving:   Het grote billen-boek bevat een schat aan billen: dikke, dunne, zachte, gestreepte,  gevlekte... en nog heel wat andere.

Moet je op het potje?
Norberts moeder wil dat haar kleine eendje een grote eend wordt - wat het gebruik van het potje betreft. Maar Norbert wil alleen maar Norbert zijn.
Veel plezier met het omhoogtrekken van de flapjes: zo zie je hoe een klein eendje leert om op het potje te gaan!
wanneer begin je met zindelijkheidstraining?
Sommige kinderen zijn in de ogen van hun ouders erg druk. Ouders en verzorgers kunnen daar behoorlijk last van hebben. Maar ook de andere kinderen kunnen daar onder lijden. Dat kan in het gezin problemen geven.
Wanneer noem je een kind druk?

Het kan zijn dat uw kind van nature druk is. Het kan ook zijn dat uw kind nog niet geleerd heeft stil te zitten, naar anderen te luisteren of enige tijd op te letten.
Een kind is druk, oftewel overbewegelijk, als het voortdurend in beweging blijft, onrustig en lawaaierig is, veel en snel praat en erg veel aandacht opeist. Een druk kind kan zich vaak moeilijk concentreren en is impulsief. Als een kind dit drukke gedrag niet onder controle kan krijgen op momenten dat dat wel van hem of haar verwacht wordt, bijvoorbeeld als de leerkracht iets uitlegt, kan er meer aan de hand zijn.
Er kunnen veel oorzaken zijn waarom een kind druk is.
Het kan zijn dat het kind drukke vriendjes heeft of dat het een leerkracht heeft die zelf druk is en die onrust op het kind overdraagt. Misschien zijn er thuis spanningen bijvoorbeeld in een periode vóór of ná een echtscheiding of bij een ernstige ziekte in het gezin. Sommige kinderen kunnen hierdoor zo nerveus worden dat ze daardoor druk worden. Ook zijn kinderen vaak druk rond hun verjaardag of Sinterklaas. Of als het niet zo goed gaat op school, niet wordt geaccepteerd in de klas, eigenlijk geen vriendjes heeft of gepest wordt.
Vaak is het moeilijk om één reden aan te wijzen waarom een kind zo druk is. Bijna altijd zijn er een paar - elkaar versterkende - oorzaken. Belangrijk is om stil te staan bij het drukke gedrag en proberen na te gaan waarom het kind zo druk is.
Als de oorzaak duidelijk is dan is het ook gemakkelijker om er een positieve invloed op uit te oefenen.
Misschien bent uzelf druk, waardoor uw kind ook druk is geworden. U, als ouder(s), heeft invloed op het gedrag van uw kind.

Hieronder vindt u enkele tips en ideeën om wat meer rust te brengen bij uzelf en uw kind, en daardoor de sfeer in uw gezin te verbeteren.

* Probeer regelmaat te brengen in het dagritme; vaste tijden voor de maaltijden, voor  het opstaan en naar bed gaan en voor het naar school gaan. 
*Probeer, ook als uzelf druk bent, rust te brengen in de omgang met uw kind. 
*Kinderen die moeite hebben met één bepaalde taak bezig te zijn, zijn erg geholpen, wanneer u één opdracht tegelijk geeft. Die opdracht mag, zeker in het begin, niet te moeilijk zijn. 
*Probeer consequent te zijn: uw ja is ja, uw nee is nee. Ook al is dat soms moeilijk. 
* U kunt bijvoorbeeld na het eten of voor het naar bed gaan met uw kind praten, zingen of een verhaaltje voorlezen. 
*Ook uw (drukke) kind heeft behoefte aan een complimentje: "Wat heb jij dat goed gedaan". 
*Drukke kinderen zijn dikwijls rommelig. Zij ruimen niet of slecht op. U kunt ervoor zorgen dat er gemakkelijke opbergmogelijkheden zijn voor het speelgoed van uw kind (bijv. plastic bakken). Help uw     kind ook met het opruimen. Later kunt u hem/haar het zelf laten doen.  Het is verstandig ervoor te zorgen   dat er niet teveel verschillende soorten speelgoed zijn. Speelgoed moet bij voorkeur groot en stevig zijn. 
*Dat uw kind in de gelegenheid wordt gesteld om aan allerlei activiteiten mee te doen is prima. Uw kind moet echter geen te volle week hebben. Hij/zij loopt zichzelf dan voorbij. 
*In een gesprek met een groep kinderen is het verstandig erop te letten dat u naar één kind tegelijk luistert. De andere kinderen leren op hun beurt te wachten. 
*Geef, als dat mogelijk is, uw kind een eigen kamer, met een eenvoudige inrichting, stevige meubels en goede gordijnen tegen licht en geluid. 
*Geef uw kind een vaste plaats aan tafel, liefst in een stoel met armleuningen. En tot slot: Geniet van uw kind, zoals hij/zij is: geestig, slagvaardig, gevoelig, brutaal. Maar geniet ook van uzelf. Uw kind mag best    weten dat u ook tijd voor uzelf wilt. 

Als het drukke gedrag niet over gaat
Het drukke gedrag kan vanzelf na korte tijd weer overgaan. Bijvoorbeeld de verjaardag is voorbij en de rust keert terug. Maar soms gaat het drukke gedrag niet voorbij. Als de problemen thuis liggen of als niet duidelijk is waardoor het kind druk is dan is er de mogelijkheid dit te bespreken met het consultatiebureau of sociaalverpleegkundige van de jeugdgezondheidszorg van de GGD. Of neem contact op met uw huisarts.


Ze vinden me druk gaat over drukke kinderen en ADHD. Het gaat duidelijk niet over drukke kinderen mét ADHD, hoewel één van de kinderen in het verhaal (Bram) ADHD heeft. Maar de andere drukke kinderen in het verhaal, Samir, Jeroen en Maartje, hebben geen ADHD. Bij hen heeft het drukke gedrag een andere oorzaak. Bram heeft ADHD, krijgt medicatie en gaat naar speciale therapie. Het verhaal van Bram vertelt wat Bram denkt en doet. Hiermee krijg je inzicht in de levenswereld van een kind met ADHD. Ze zijn druk en maken dingen stuk, maar vinden dat ook heel erg. Ze kunnen er niet zoveel aan doen. Daarom gaan ze ook in therapie. Daar leren de kinderen ermee omgaan. Het druk zijn van Jeroen heeft een andere oorzaak. Daar is het thuis niet al te tof en hij leeft zich dus uit op school. Ook de drukte van Maartje heeft te maken met de thuissituatie. Door deze verhalen voorkom je dat drukke kinderen allemaal in hetzelfde hokje worden gestopt: druk, dus ADHD, dus medicatie. Het boekje geeft een duidelijke uitleg van ADHD, maar geeft daarbij aan dat je altijd verder moet kijken dan het gedrag wat een kind vertoont. Niet alle drukke kinderen hebben dus ADHD. Daarnaast geeft het ook duidelijk aan dat je niet gek bent als je ADHD hebt. Omdat je door concentratiegebrek soms wat achterblijft in de klas, wil dat nog niet zeggen dan je dom bent. Iets waar Bram bang voor was. Het verhaal in het boek geeft duidelijk aan dat dat dus niet zo is. Het boek zal herkenbaar zijn voor kinderen die zelf ADHD hebben, maar is zeker ook goed te gebruiken in een klas waar één of meerdere kinderen met ADHD zitten om zo bij de andere kinderen begrip te kweken voor ADHD kinderen. Ze vinden me druk is geschreven door Martine Delfos en is uitgegeven door uitgeverij Pereboom


alles over bedplassen
www.opvoedadvies.nl
schommel
klik hier voor de link



BEGINNEN MET ZINDELIJKHEIDSTRAINING

Zindelijk worden is iets dat je peuter zelf moet leren. Jij kunt hem daarbij helpen, maar uiteindelijk is het toch iets wat hij zelfstandig moet doen. Dat maakt het tot een delicate kwestie. Je wilt immers voorkomen dat je het op een verkeerde manier aanpakt, waardoor je peuter zich tegen zijn training gaat verzetten. Gelukkig zijn er genoeg tips en adviezen waarmee je je voordeel kunt doen.

  Hoe pak je het aan?
Een goed begin is het halve werk. Daarom vind je hieronder een aantal
suggesties die je kunnen helpen om op een goede manier te beginnen
aan de zindelijkheidstraining van je peuter.
Kennismaken met het potje
Handel op het juiste moment
Laat zien hoe het moet
Spelen zonder luier
Reageer rustig
Laat je kind zelfstandig handelen

Kennismaken met het potje
Stap één van de zindelijkheidstraining bestaat uit de kennismaking met
het potje. Deze kun je het beste terloops introduceren. Zet hem gewoon
in de kamer. Vertel een paar keer waar hij voor dient. Zo raakt je peuter
alvast vertrouwd met het potje en wek je zijn nieuwsgierigheid. Misschien
wil hij dan uit zichzelf wel een keer proberen om erop te plassen.
Handel op het juiste moment
In het begin is het zaak om goed op je peuter te letten en zijn signalen juist te interpreteren. Als je aan hem ziet dat hij moet plassen of poepen, kun je hem voorstellen om op het potje te gaan zitten. Werkt hij mee, dan is de kans groot dat er ook werkelijk iets in het potje terechtkomt. Zo leert hij het verband zien tussen zijn aandrang en het potje.

Laat zien hoe het moet
Niets is duidelijker dan een praktijkvoorbeeld. Wanneer het idee je dus niet tegen staat, kun je je peuter laten zien welke handelingen jij op het toilet verricht. Vertel daarbij dat de wc eigenlijk hetzelfde is als het potje en dat hij deze later ook zal gaan gebruiken.

Spelen zonder luier
Wanneer je je peuter zo nu en dan met blote billetjes laat rondlopen, heeft dat twee voordelen. Allereerst leert hij zijn lichaamsfuncties zo beter kennen. Als hij voelt dat hij moet en vervolgens ziet wat er gebeurt, begrijpt hij ook beter wat hij op het potje moet doen. Bovendien kan hij meteen op het potje gaan zitten als hij aandrang heeft, zonder dat hij iets uit hoeft te trekken. Houd er wel rekening mee dat het ook een paar keer mis zal gaan.

Reageer rustig
Doe je best om zo min mogelijk druk op je kind uit te oefenen. Het werkt vaak het beste als je het zindelijk worden presenteert als een natuurlijk proces dat als vanzelf verloopt. Maak er dus geen groot feest van als je kind netjes in het potje heeft geplast, maar prijs hem op een normale toon. Val niet uit als het weer een keer misgaat, maar stel je kind gerust en ruim de rommel op zonder commentaar.

Laat je kind zelfstandig handelen
Om te voorkomen dat je peuter zijn zindelijkheidstraining gaat zien als een verplichting die hem door jou wordt opgelegd, kun je hem het beste zoveel mogelijk zelfstandig laten handelen. Laat hem zelf beslissen wanneer hij op het potje gaat zitten, zelf naar het potje toe loopt en zelf zijn broek uit trekt. Zo wordt de kans kleiner dat je kleine zich tegen zijn training gaat verzetten. Als je kindje je echter vraagt om hem te helpen, is het beter om niet te weigeren.
Houd het vooral leuk!
Het zindelijk worden zou eigenlijk een gewoon leuk proces moeten zijn voor je kind. Als extra stimulans zou je hem zijn eigen billendoekjes kunnen geven en zijn eigen zeep om na het potje zijn handjes mee te wassen.

een paar interessante links:









                                 








Laat je kind niet vallen!!
Duizenden peuters belanden jaarlijks in ziekenhuis

Ouders onderschatten valgevaar kinderen

Elk jaar worden 25.000 kinderen van nul tot negen jaar na een val van grote hoogte in het ziekenhuis binnengebracht. Nog eens 3000 moeten er worden opgenomen, vaak met een fractuur aan arm of been of zelfs hersenletsel. Vier kinderen overlijden. Veel van die vallen zijn te voorkomen als ouders bewust zijn van de valgevaren. Vandaag begint Consument en Veiligheid daarom een campagne.

Uit onderzoek blijkt dat ouders wel inzien dat een val van een balkon of trap grote gevolgen kan hebben, maar toch laten vier op de vijf ouders hun kind wel eens alleen op het balkon spelen. Ook gebruiken drie op de vijf ouders geen raamslot en halen twee op de vijf ouders het traphekje al weg als hun kind nog niet goed kan traplopen.
      
Overschatten

De ernst van een val van mindere hoogte, zoals van een commode of van een tafel, schatten de ouders ten onrechte lager in. Eén op de vijf ouders laat z’n baby wel eens alleen als het op de commode ligt, bijvoorbeeld om de telefoon of een schone luier te pakken. „Ouders denken dat ze hun kind kennen”, legt woordvoerder Cees Meijer uit. „Ze denken: mijn kind ligt altijd stil, die gaat écht niet ineens omrollen.”

Ook onderschatten ouders de snelheid waarmee hun kind zich ontwikkelt.
„Zo verwachten ouders niet dat een kind ineens meubels gebruikt om ergens bij te komen. Klimpartijen op een tafel en vensterbank zijn geen uitzonderingen.”
Bij speeltoestellen schatten ouders de ernst van een val wel hoog in. Consument en Veiligheid adviseert ouders om te kijken naar de leeftijd van hun kind.
„In tegenstelling tot wat veel ouders denken, kun je kinderen tot twee jaar weinig leren”, legt Meijer uit. „Daarom is het belangrijk om zelf maatregelen te treffen, zoals een traphekje.
Samen spelen en bewegen geeft je meer inzicht in wat je kind al wel en niet kan.”
Kinderen van drie en vier gaan steeds meer hun grenzen verkennen. „Laat ze, maar blijf er bij.” Kinderen in de leeftijd van vijf tot en met negen jaar zoeken hun grenzen op. „Je kind moet nu zelf gaan leren wat gevaarlijk is. Maar ouders zijn wel verantwoordelijk voor een zachte ondergrond bij een speeltoestel of een net om een trampoline.”
     
                        (link) stichting consument en veiligheid: Laat je niet verrassen!

TOP
TOP
De Speeldernis;
Natuurlijk spelen in de stad
Sesamstraat in Madurodam